De eerste twee studiejaren staan in het teken van de basiskennis over chemie, biologie en fysica in relatie tot het forensisch onderzoek. Diverse forensische vragen staan dan per kwartiel (=onderwijsperiode van 10 weken) centraal. Daarnaast krijg je ondersteunende vakken zoals recht, wiskunde, statistiek, criminologie en informatica.
In het volgende schema wordt een opsomming gegeven van de onderwerpen die je in de eerste twee jaren zult tegenkomen.
PROPEDEUSE (=1e JAAR)
- Forensisch Onderzoek (crime scene |
- Toxicologie en drugsanalyse (wat zijn |
- Forensische biologie (biologische sporen, |
- Forensische Fysica (brand en |
2e JAAR
- Trace evidence (verf, haren, vezels etc) |
- Biologische sporen (vervolg DNA |
Kwartiel 3: Fysische sporen - Materiaalkunde en ballistiek (vervormingen en breuk) - Mechanica - Criminologie 2 - POP/portfolio |
- Case |
Het derde en vierde jaar zijn opgedeeld in vier blokken van een half jaar: major, minor, stage en afstuderen. In overleg met je studieloopbaanbegeleider kies je in welke volgorde je deze onderdelen doet. De kennismaking met het beroepenveld staat hierbij centraal. Het onderdeel major wordt binnen de studieroute ingevuld in een onderzoeksgroep. Hierbij werk je in een team onder begeleiding van een of meer docenten aan een onderzoeksopdracht.De minor is een vrij onderdeel binnen de studieroute. Je kunt je verdiepen in vakken die je zelf belangrijk vindt voor je verdere carrière, maar je kunt ook een extra stage doen, een tweede onderzoek of een minor van een andere opleiding. Het laatste onderdeel van de studieroute is de afstudeeropdracht.
