Ceci n'est pas une pipe
Organisatie

Column: wat is dé montessorischool?

Leestijd Minuten

De Amerikaanse onderzoeker Angeline Lillard doet al meer dan 25 jaar onderzoek naar de effectiviteit van het montessorieonderwijs. Zo heeft ze de leerresultaten en sociale ontwikkeling van jonge kinderen op montessorischolen vergeleken met die van kinderen die regulier onderwijs genieten.

De resulaten van Lillards onderzoek liegen er niet om: de montessorischolen presteerden beter op de onderzochte gebieden. Dit gold echter alleen voor die scholen die volgens het onderzoek van Lillard het montessoriconcept strikt hanteren. In deze bijdrage laten we zien dat de bevindingen van Lillard niet direct van toepassing zijn op Nederlandse montessorischolen. Nieuw onderzoek naar de toegevoegde waarde van montessorionderwijs in Nederland is nodig. Het lectoraat en de leden van de Nederlandse Montessori Onderzoeksgroep (NMO) pakken die handschoen op. 

Strikte montessorischolen komen weinig voor

In haar onderzoek vergeleek Lillard montessorischolen niet alleen met reguliere scholen, maar ze verdeelde de groep montessorischolen ook onder in twee groepen: 'klassieke' montessorischolen en 'sub'-montessorischolen. De eerste groep bestond uit scholen die het montessoriconcept strikt hanteren volgens de richtlijnen van de Association Montessori Internationale (AMI). De erkenning van een school door de AMI is  geen sinecure. De in 2018 opnieuw opgestelde richtlijnen maken helder waaraan een montessorischool moet voldoen: leraren moeten de AMI-opleiding hebben gevolgd; er wordt gebruik gemaakt van de complete set met erkende montessorimaterialen; de klassen werken met heterogene groepen met drie verschillende leeftijden (3 tot 6 jaar); 's ochtends en 's middags hebben de kinderen een vrije werkperiode van drie uur en elke leerkracht heeft een niet-lesgevende assistent. De groep sub-montessorischolen voldeden niet aan al deze criteria: zij hanteerden naast montessorimaterialen andere materialen, ze hadden geen lange vrije werkperioden of ze hadden niet de beschikking over een assistent in de klas. 

Zoals gezegd hadden alleen de kleuters die op een klassieke montessorischool zaten betere leerresultaten en sociale competenties in vergelijking met de andere groepen (Lillard, 2012. Zie ook Lillard, Helse, Richey, Ton, Hart & Bray, 2017 en Lillard & Else-Quest, 2006). De sub-montessorischolen presteerden gelijkwaardig aan de reguliere scholen. Hoewel de klassieke en de sub-montessorischolen dus beide de naam montessorischool dragen, blijkt dat verschillen in hoe het montessoriconcept in de klas wordt uitgevoerd van invloed is op het effect. 

Je zou verwachten dat op basis van de resultaten van dit onderzoek er veel montessorischolen zijn die een 'klassieke' uitvoering van het montessoriconcept hanteren. Maar niets is minder waar. Uit een enquête onder 85 openbare montessorischolen in de Verenigde Staten bleek dat slechts 28% een strikte uitvoering van het concept toepast (Murray & Peyton, 2009). Ook al behalen de klassieke montessorischolen in dit onderzoek betere resultaten, ze zijn nogal in de minderheid. 

Hoe zit dat in Nederland?

Zijn er montessorischolen in Nederland die op deze strikte, klassieke wijze het concept hanteren? Scholen waar alleen met montessorimaterialen wordt gewerkt, waar alleen AMI-gecertificeerde leraren werkzaam zijn, waar ze worden ondersteund door een assistent én waar gewerkt wordt met leeftijdsheterogene groepen? In Nederland worden verreweg de meeste montessorischolen erkend door de Nederlandse Montessori Vereniging (NMV), zie: www.montessorikwaliteit.com. De Nederlandse opzet voor erkenning als montessorischool is veel ruimer dan die Lillard hanteert in haar onderzoek. Enkele van de pijlers die de NMV stelt zijn: dat de school een werkwijze hanteert die op de ideeën van Maria Montessori is gebaseerd; dat leraren een Nederlandse montessoriopleiding dienen te hebben afgerond; dat er heterogene leeftijdsgroepen zijn met liefst drie leeftijden en dat er sprake is van vrije werkkeuze. Deze ruime benadering maakt dat scholen in Nederland zelf invulling kunnen geven aan het montessoriconcept. De andere kant is dat er in Nederland een grotere variatie is tussen montessorischolen. 

De grote variatie aan montessorischolen maakt onderzoek naar de effectiviteit van het montessorionderwijs in Nederland erg lastig. Dé montessorischool is in Nederland veel moeilijker te definiëren. Om toch goede uitspraken te kunnen doen over de effectiviteit van montessorionderwijs in Nederland, moeten we dan ook recht doen aan de diversiteit in de uitvoering van het montessoriconcept door deze in kaart te brengen. We kunnen echter niet dezelfde criteria als Lillard gebruiken, simpelweg omdat deze niet realistisch zijn voor de Nederlandse situatie. Daarom ontwikkelt het lectoraat Vernieuwingsonderwijs, in samenwerking met de onderwijsprofessionals van de NMO, een vragenlijst waarmee kan worden onderzocht hoe montessorischolen in Nederland invulling geven aan het concept. Als we dat eenmaal inzichtelijk kunnen maken, kan de volgende stap in ons onderzoek naar de effectiviteit van het Nederlandse montessorionderwijs worden gemaakt. 

Structuur, curriculum en vrijheid

We gaan uit van een vragenlijst die is ontworpen door Angela Murray, montessorionderzoeker van de Kansas University. Zij onderzoekt de mate waarin het montessoriconcept op scholen wordt geïmplementeerd (klik hier voor meer informatie). Murray dook de montessoriliteratuur in, sprak met montessoriexperts, zette vragenlijsten uit en kwam tot de conclusie dat het montessoriconcept te vangen is in drie onderdelen: structuur, curriculum en vrijheid. Onder elk onderdeel valt een aantal vragen die leraren over hun eigen klas beantwoorden. Deze vragen gaan bijvoorbeeld over een lange, onderbroken, werkperiode, vrije werkkeuze van kinderen, maar ook over of kinderen zelf hun middageten voorbereiden. De drie onderdelen bleken voor de Amerikaanse montessorischolen representatief om te weten hoe het montessoriconcept in de praktijk wordt gebracht. Belangrijker nog is dat deze vragenlijst een goed startpunt biedt om de invulling van het montessoriconcept op Nederlandse montessorischolen in kaart te kunnen brengen. 

De onderwijsprofessionals van de NMO hebben de vragenlijst inmiddels vertaald. Zij gaan in gesprek met montessoriexperts om na te gaan welke vragen kenmerkend zijn voor de Nederlandse situatie.

Geraadpleegde literatuur:
Lillard, A.S. (2012). Preschool children's development in classic Montessori, supplemented Montessori and conventional programs. Journal of School Psychology. 50, 379-401.

Lillard, A.S., & Else-Quest, N. (2006). Evaluating Montessori Education. Science 313, 1893-1894.

Lillard, A.S., Heise, M.J., Richey, E.M>, Tong, X., Hart, A., & Bray, P.M. (2017). Montessori preschool elevates and equalizes child outcomes: A longitudinal study. Frontiers in Psychology, 8, 1-19.

Murray, A. & Peyton, V. (2009). Public Montessori elementary schools: A delicate balance. Montessori Life, 20, 26-30.

Door: 
Jaap de Brouwer - onderzoeker lectoraat Vernieuwingsonderwijs en montessoriopleider, Saxion.
Patrick Sins- lector Vernieuwingsonderwijs, Saxion en Thomas More Hogeschool.

Gerelateerde artikelen

beeld_column_zelfregulatie_TYF.jpg Organisatie

Zelfregulatie tijdens onderzoekend leren ondersteunen: een nieuwe manier van werken

16 oktober 2020
De vloek van kennis Organisatie

Column: de vloek van kennis

28 september 2020
Meer zelfregulatie tijdens de W&T-les Organisatie

Column: Naar meer zelfregulatie tijdens de Wetenschap & Technologie-les